De vergeten kaperkapiteins

door Edwin Hamelink

 

Terneuzen promoot zich als de stad van het spookschip De Vliegende Hollander met zijn kapitein Willem van der Decken, die de wereldzeeën bevaart, dood en verderf brengend aan ieder die het tegenkomt. Door de bekendheid van deze legende is het verhaal van twee echte Terneuzense kaperkapiteins in de vergetelheid geraakt. Het is zelfs niet ondenkbaar dat bepaalde versies van de legende zijn verward met de waar gebeurde historische feiten uit de loopbaan van twee echte Terneuzense kaperkapiteins.

Volgens de legende van De Viiegende Hollander verliet kapitein Van der Decken op paasmorgen tegen de zin van zijn vrouw de haven van Terneuzen. Bij Kaap de Goede Hoop kwam hij met zijn Oost-lndiëschip in grote stormen terecht die negen weken aanhielden. Van der Decken probeerde tevergeefs de Kaap te passeren. De volledig uitgeputte bemanning smeekte hem terug te keren naar de Tafelbaai om daar beter weer af te wachten. Willem van der Decken weigerde en gooide in zijn wilde drift de stuurman overboord. Terwiji hij dit deed riep Van der Decken het volgende: "God of de Duivel, de Kaap vaar ik om, al moet ik varen tot het laatste oordeel!" Sindsdien zwerft het spookschip tegen de wind in over de wereldzeeën. Van der Decken staat aan het roer en brengt ongeluk en verderf aan ieder schip dat hij tegenkomt.
De legende van de ’Vliegende Hollander’ werd in 1839 opgetekend door de destijds bekende auteur en zee-officier Frederich Marryat (1792-1848). Ruim zestig jaar voor het optekenen van de legende bestonden er in Terneuzen twee echte kaperkapiteins: Ghyslain du Plessis en Nicolaas Jarry. Het lijkt erop dat deze kapiteins zijn vergeten en dat het dubieuze verhaal van De Vliegende Hollander de voorkeur genoot.


Oorlog

Ghyslain du Plessis werd geboren bij het Mauritsfort (bij Hoek, gemeente Terneuzen). Hij was Hugenoot, neef en tijdgenoot van kapitein Jarry. Als visser en smokkelaar leerde hij de zee kennen. De Amerikaanse kaperkapitein John Paul Jones bracht hem de fijne kneepjes van het vak bij. Op 10 december 1780 brak de vierde Engelse oorlog uit. De Zeeuwse kaapvaart vierde in die tijd hoogtij. Ghyslain du Plessis was een van de bekende Zeeuwse kaapvaarders. De Vlissingse rederij Nortier gaf hem in september 1781 het bevel over de sloep ’De Jager’.

Pierre le Turcq (oorlogsnaam van Ghyslain du Plessis) overmeesterde na enkele dagen met zijn schip vier Engelse koopvaardijschepen. Vanwege zijn succes zette de rederij hem op de snelzeilende kotter ’De Vlissinger’. Eind 1781 overmeesterde hij de door de Engelsen buitgemaakte Franse Oost-Indiëvaarder ’l’Amitié Royale’ met een waarde van twee tonnen goud. Helaas liep ’l’Amitié Royale’ bij de reis naar Vlissingen vast op de Engelse kust, waardoor deze buit verloren ging. Nadat hij in 1782 enkele Engelse schepen had buitgemaakt, ontving Le Turcq van de stad Vlissingen een zilveren sabel met het stadswapen en twee met zilver ingelegde pistolen. Ook krijgt hij in dat jaar het bevel over het gloednieuwe schip ’De Zeeuw’. Met ’De Vlissinger’ had hij echter meer succes. Slechts enkele dagen nadat hij het bevel over ’De Zeeuw’ op zich had genomen, raakte het schip in gevecht met het Engelse oorlogsschip ’Defiance’. Er vielen 21 doden en 17 gewonden op het schip van Le Turcq. Zelf was Pierre ook gewond; hij werd gevangen genomen, maar wist te ontsnappen en Vlissingen te bereiken.

Nicolaas Jarry, afstammeling van uit Frankrijk gevluchte Hugenoten, de koopvaardijkapitein Hendrik Jarry en Martine de la Roy is op 2 maart 1735 te Terneuzen geboren. Nicolaas sneuvelde eind januari 1784 tegen de Engelsen bij Hull. Hij kreeg zijn opleiding als marineofficier waarschijnlijk in Frankrijk en verbleef een tijdje in Noord-Amerika. Nicolaas Jarry was luitenant op ’De Vlissinger’ van Pierre le Turcq. Toen Le Turcq het gezag over ’De Zeeuw’ kreeg, nam Jarry het gezag op ’De Vlissinger’ over. In 1782 voer hij in opdracht van rederij Nortier in Vlissingen de Noordzee op om handelsschepen van Engeland te bemachtigen. Na een maand waren elf rijke schepen buitgemaakt. In oktober 1783 veroverde hij een groot Engels koopvaardijschip, dat hij te Cherbourg opbracht. Daarna liep hij de baai van Torbay in, waar hij een kolenschip overmeesterde, terwijl twee Engelse fregatten toekeken. Met die buit zeilde Jarry door een eskader van twaalf oarlogsschepen en stevende, nadat hem de buit door een oorlogsfregat was ontnomen, opnieuw naar de kust, waar hij een paar sloepen op het strand joeg, alles in rep en roer zette en een brik overmeesterde, welke hij te Le Havre binnenbracht. Toen Jarry met zijn schip de haven van Vlissingen weer binnenvoer, werd hij door het volk ontvangen met gezang. Ook hij kreeg een zilveren sabel van de stad Vlissingen.


Kotter

In januari 1784 veroverde Jarry bij Hull vier Engelse schepen; een vijfde schip raakte vast en terwijl hij pogingen aanwendde om dat schip los te krijgen, werd hij door een zwaar gewapende kotter aangevallen. De ’De Vlissinger’ streek de vlag, waarna het schip van de Engelse kotter nag een laag schroot kreeg. Jarry raakte zwaargewond en stierf binnen een paar dagen.

Niets in Terneuzen herinnert nog aan beide kaperkapiteins. Hun namen zijn zelfs niet terug te vinden in de wijk Katspolder, tussen de namen van al die andere Nederlandse zeehelden, zoals De Ruyter; Doorman en Van Speyk.