Nieuwsbrief
|
Inhoud van de laatste Nieuwsbrief Oude Nieuwsbrieven en artikelen Inhoud van vorige Nieuwsbrieven
Excel spreadsheet met lijst artikelen in alle vorige Nieuwsbrieven Bernard de Gomme, een 17de eeuwse vestingbouwer heeft een aantal tekeningen nagelaten van Nederlandse vestingsteden, die bewaard worden in de British Library in Londen. De Heemkundige Vereniging heeft toestemming verkregen voor beperkte publicatie en een aantal tekeningen van 17de eeuwse Zeeuwse vestingen afgedrukt. Bij het onderzoek naar De Gomme is ook duidelijk geworden dat de Gomme in Terneuzen is geboren en zijn jeugd goeddeels op het fort Liefkenshoek en Lillo heeft doorgebracht. Na daar te zijn begonnen als landmeter diende hij als militair ingenieur onder prins Frederik Hendrik. Hij ontmoette daar de neef van de Engelse koning Charles I en reisde in 1642 met hem naar Engeland, waar hij al gauw vanwege zijn verdiensten op vestingbouwkundig gebied tot ridder werd geslagen. Gedurende het bewind van Cromwell (1646-1660) verbleef hij weer in de Republiek, waarna hij terugkeerde naar Engeland en daar als militair ingenieur tot zijn dood in 1685 werkzaam bleef. De Engelse auteur Andrew Saunders heeft onderzoek naar hem gedaan en een boek over hem gepubliceerd. De laatste ambachtelijke smederij van Terneuzen heeft het loodje gelegd, waarmee een einde is gekomen aan een oud familiebedrijf en zes generaties van smeden. De oude smidse is afgebroken ten behoeve van stadsvernieuwing. De Heemkundige vereniging heeft in een terugblik een artikel in haar Nieuwsbrief gewijd. P.W. Stuij heeft, uitgaande van de geschatte reikwijdte van het Spaanse geschut in de 16de eeuw de vermoedelijke locatie vast weten te stellen van het z.g. ‘Spaanse fortje’ in het toenmalige Terneuzen. De geschatte effectieve dracht van circa 300 tot 350 meter was voldoende om de havenmond te bestrijken. Vanaf eerdere veronderstelde locaties was dat niet mogelijk. Het geschut op de forten Lillo en Liefkenshoek die gezamenlijk de Westerschelde toegang tot Antwerpen beheersten geeft een goede indicatie van de dracht van de kustbatterijen. Rinus Willemsen schrijft over een burgemeester van Biervliet Jan de Bats 1847-1906. Hij doet dat tegen de achtergrond van het sociale leven in het oude Zeeuws Vlaamse dorp Biervliet, waar De Bats in tegenstelling tot twee directe voorgangers ook woonde en waar hij zeer geliefd was. Het artikel laat een schilderachtig stukje geschiedenis van Biervliet in die tijd zien. Het burgemeesterschap van De Bats heeft tot aan zijn dood slechts vijf jaar geduurd.
Weet u iets leuks, bijzonders of onbekends over het Terneuzense verleden? Schrijf het op! De redactie zoekt altijd bijzondere en leuke verhalen. Door ze te publiceren in de Nieuwsbrief blijven deze streekverhalen ook voor de toekomst bewaard. Neem dan contact op met de redactie op mailadres info@heemkundeterneuzen.nl
Oude Nieuwsbrieven en artikelen Wanneer U op zoek bent naar een oude Nieuwsbrief dan kunnen we deze vaak nog leveren. De kosten zijn € 3,00 per exemplaar, exclusief verzendkosten. De lijst van gepubliceerde artikelen is te raadplegen door te klikken op onderstaande link. De zeer populaire specials over Zaamslag (maart 2007, nr. 61), Sluiskil (juni 2008, nr. 66) en 150 jaar protestants christelijk onderwijs (oktober 2008, nr. 67) zijn niet meer voorradig. De nieuwsbrief van oktober 2008 is te downloaden via de website van Probaz.
Inhoud van vorige Nieuwsbrieven Nieuwsbrief 84, december 2012 In zijn artikel “Van Terneuzen bonded stores tot TBS Shipsupplies” geeft A.R Koppejan een boeiend overzicht van de stichting en groei van een Zeeuws-Vlaams bedrijf gedurende tachtig jaren, 1932 tot 2012. Het begon met de aankoop van een waterboot “Schelde” goed voor netto 113 ton water in een periode dat er nog geen waterleiding in Terneuzen en omstreken was. De stichter Pieter Cornelis de Doelder is ermee doorgegaan, ook toen er enige jaren later wel over waterleiding werd beschikt. Schepen en stoomlocomotieven bleven water nodig hebben. Het mondt door de inspanningen van de volgende generaties uit in een bedrijf van internationale allure, D-Ship Group, gevestigd te Breskens, steeds hoofdzakelijk gericht op bevoorrading van schepen, niet meer alleen met water maar met een veelheid van verbruiksgoederen. Het is een verhaal van hard werken en goed inzicht, van flexibiliteit met het oog steeds gericht op ‘de economische radar’ en natuurlijk ook van dat onmisbare beetje ‘ondernemersgeluk’. Het bedrijf wist tijdig aan te sluiten op de soms razendsnelle ontwikkelingen in de logistiek sector, met name op het gebied van geautomatiseerde systemen. Het artikel is gelardeerd met prachtige oude foto’s. A. de Jonge schrijft over de Familie Verhelst in de Van Wuyckhuisepolder in Zeeuws –Vlaanderen, die haar 100-jarig bestaan viert. Jacobus Verhelst (1889- 1959) kocht in 1913 een klein stuk grond in de net ingedijkte Van Wuyckhuisepolder en ging daar in 1914 daadwerkelijk bouwen. Zijn broer Rokus (1877-1957) volgde. Er moet hard gewekt zijn op deze grond, want die bestond aanvankelijk voornamelijk uit stuifzand en killen. De familie Verhelst, nakomelingen van Pieter Jan Verhelst (1849-1950) en Cornelia Hamelink is heel uitgebreid geworden. Pieter Jan had 10 kinderen en zoon !zaak 11. Een groot deel van de huidige polderbewoners stamt af van Pieter Jan. Het gaat dan om neven en nichten in dezelfde familie. Sandra Hamelink-Muys heeft een beknopte genealogie bijgevoegd. Piet Stuij voegt hieraan toe het verhaal van een hervonden paaltje dat soms de begrenzing van percelen aanduidde. Bij het wijzigen van perceelgrenzen als gevolg van veranderingen in het tracé van de nabijgelegen provinciale weg moesten destijds enkele grenspaaltjes worden verwijderd. Eén daarvan is verloren gegaan, maar een andere is keurig bewaard bij een boerenfamilie Pladdet in Hoek. Die familie was al generaties eerder gevestigd in de Van Wuyckhuisepolder. Hun goed lag naast een perceel dat was gekocht door de Oudenaardese advocaat Thienpondt die was gehuwd met een nazaat van de familie Thomaes. Het paaltje staat nu in volle glorie gefotografeerd in de voortuin van de familie Pladdet. Ko Dieleman blikt terug op de ontwikkeling van het “rollend vervoer”. In navolging van de ANWB in 1973 ter gelegenheid van het 90-jarig bestaan begint hij met de evolutie van de fiets. In 1898 dacht men bij de ANWB dat de auto het nooit van de fiets zou kunnen winnen. Ko Dieleman stelt vast dat dit standpunt thans is achterhaald.(Dat hadden we zelf nooit kunnen bedenken! Bedankt, Ko). Vervolgens geeft de schrijver een mooi beeld van de ontwikkeling van de auto in Nederland. De eerste, een “Victoria”, reed in 1896 in ons land. In Zeeland werd in 1899 de eerste vergunning voor een gemotoriseerd voertuig gegeven aan de heer Hombach te Hulst, de Z1. Dit was een 2-persoonsauto van het merk “Vivinus”, vermogen 3 pk, maximum snelheid 25 km/uur. In 1905 werden reeds 2000 vergunningen in Nederland verleend. De registratie van kentekens werd opgedragen aan de provincie. Elke provincie kreeg zijn eigen letter waarmee het kenteken begon, Voor Zeeland werd de letter “K” voor de nummers geplaatst. In 1957 werd het weer een rijksaangelegenheid. Inmiddels zijn er nu circa 8 miljoen auto’s in Nederland geregistreerd. Een aantal ondernemers in Zeeuws- Vlaanderen wist goed in te spelen op het gestadig toenemende autobestand. Daarvan wordt een beknopt overzicht met foto’s getoond. In 1912 werd ook de Ambachtschool voor lager technisch onderwijs in Terneuzen gesticht, waar nu ook aspirant automonteurs konden worden opgeleid. Tot slot is een overzicht toegevoegd van de Zeeuws- Vlaamse K- nummers met namen van de autobezitters in de periode 1905-1941. Veel van die namen herkennen we heden ten dage nog. Pierre Wijffels reikte een artikel aan uit het tijdschrift St Laurensklok van de Broeders van Liefde uit Zelzate, gedateerd begin 1978. Het gaat over Adriaan de Zagenzetter, geboren in Terneuzen in 1884, zoon van een gegoede ondernemersfamilie. Het liep mis met Adriaan. Hij verliet het ouderlijk huis voorgoed toen zijn eerste en enige geliefde in zijn kring te min werd bevonden. Haar beeltenis stond op zijn linkerarm gegraveerd. Na een kleurrijk bestaan, waarin helaas drank een grote rol speelde, eindigde hij als zwerver die rondtrok als zagenzetter in gezelschap van een scharenslijper. Het is een stukje proza dat sterk doet denken aan de zwerversroman “De kleine wereld’ van Herman de Man over ook zo’n stel dat onbekommerd en scherp waarnemend door het land van Maas en Waal trekt. Aardig voor de liefhebbers. Nieuwsbrief 83, september 2012 Op 15 augustus 1852 bracht koningin Victoria van Engeland, min of meer gedwongen door slecht weer op de Westerschelde ter hoogte van Terneuzen een bezoek aan land. Zij werd ontvangen door de familie De Feijter op hun toenmalige boerderij gelegen aan de huidige Leeuwenlaan. Het bezoek was haar blijkbaar goed bevallen, want terug in Engeland schonk zij een zilveren beker aan de familie. Zij gaf bij bijzondere gebeurtenissen wel eens meer een ‘memorial cup’ ten geschenke, maar dit was wel een heel bijzondere, gemaakt in de 18de eeuw. De beker werd in 1974 door de familie De Feijter geschonken aan de gemeente Terneuzen en staat nu in het stadhuis. Voorts liet zij na haar terugkeer in Engeland door de Belgische kunstschilder Van Kuyck aquarellen maken van de boerderij en van de wagen waarop zij werd vervoerd. Ook die zijn bewaard gebleven. Zelf was Victoria kunstzinnig ingesteld. Daardoor kon zij schetsen maken van de leden van de familie De Feijter. Die schetsen liggen in het koninklijk archief in Londen. Afbeeldingen ervan zijn voor beperkte publicatie aan de Heemkundige Vereniging Terneuzen ter beschikking gesteld door de “Royal Collection Trust HM Queen Elizabeth II”. Gezien het bijzondere karakter ervan zijn die afbeeldingen in de Nieuwsbrief in kleur afgedrukt en is dit nummer geheel gewijd aan het bezoek van koningin Victoria. Er is een uitgebreid artikel over Victoria met de aantekeningen die zij in haar dagboek heeft gemaakt. De geschiedenis van de boerderij en de beker is met genealogische aantekeningen over de boerenfamilie door Edwin Hamelink weergegeven. De tekeningen van Victoria zijn door Sandra Hamelink-Muys toegelicht. Ad Willems heeft onderzoek gedaan om dit nummer mogelijk te maken. Heel bijzonder is dat de tekeningen die Victoria heeft gemaakt en de aquarellen van Van Kuyck na 160 jaar in de Londense archieven te hebben gelegen nu in Nieuwsbrief 83 kunnen worden gepresenteerd. Nieuwsbrief 82, juni 2012 Albert L. Kort beschrijft de moord die in 1891 in de Cats polder aan de altijd rustige oever van de Notense kreek werd gepleegd. De molenaarsvrouw en haar minnaar overvielen haar echtgenoot en maakten hem af. Er volgde een rechtszaak, die de gemoederen op ‘Noten’ tot lang daarna heeft bezig gehouden. In die tijd was het niet ongebruikelijk dat bij schokkende gebeurtenissen ingezonden gedichten in de krant werden afgedrukt. Zo’n gedicht is hier opgenomen.
Rudy van Elslande stelde zich de vraag welke invloed de Elizabethsvloeden hebben gehad op de burgerij van de streek die nu bedekt wordt door de gemeente Terneuzen. De eerst grote Elizabethsvloed vond plaats in het jaar 1404, de volgende in 1421 en 1424. Die overstromingen zijn zo genoemd omdat ze zich alle rond half november voordeden; 19 november is de naamdag van de heilige Elizabeth. Bijzonder aardig is de kaart van het Braakmangebied van omstreeks 1480 met zeer oude plaatsnamen. Hoewel de gestelde vraag nog steeds niet helemaal kan worden beantwoord is bij het doornemen van de Gentse schepenboeken veel interessant materiaal naar voren gekomen, ook in genealogisch en heraldisch opzicht. Relatief gezien was in de 15de eeuw het polderland hier een redelijk welvarende streek. Veel grondeigenaren kwamen uit het Gentse. Een aantal transacties is terug gevonden. Na elke vloed bleken de huurprijzen significant te zijn gestegen.
De uitdaging om verder historisch onderzoek te doen, d.w.z. de beschikbare documenten verder doornemen en zo nieuwe aanvullende nieuwe informatie te verkrijgen over de geschiedenis van de streek ligt er nog steeds.
J.L. Platteeuw schrijft over de barre tijden van de oude dijkenbouwers en o.a. over de al lang verdwenen dijkbeschermingstechniek van het ‘krammen’. Aan het einde van de 15de eeuw wordt melding gemaakt van de z.g. kram- mat dijken. Zo’n mat bestond uit lagen stro die aan de zeekant tegen de dijk werden gelegd en met in elkaar gedraaide strengen (krammen), ook van stro, aan de dijk werden vastgezet (gekramd) om wegdrijven te voorkomen. Het vastkrammen gebeurde met een stok met onderaan een V- vormig ijzer. De stok werd gestut tegen het lichaam, waartoe men een ijzeren buikplaat om het middel had. Zwaar werk! Gedurende de 19de eeuw verdween deze vorm van dijkbescherming en werd meer en meer steen gebruikt. Enkele oude krammers konden nog wel vertellen!
Ko Stoffels geeft aan hoe en wanneer we aan de naam Zeeuwsch- Vlaanderen zijn gekomen. Dat was 200 jaar geleden bij de stichting van het Koninkrijk der Nederlanden. Het is logisch de beide aanstaande jubilea in onderlinge samenhang te zien. Hij pleit voor gezamenlijke aandacht van Nederlandse en Belgische geschiedkundigen (bijvoorbeeld door het houden van een symposium, voor iedereen toegankelijk). Dat zou voor velen meer inzicht kunnen brengen in de nauw verbonden geschiedenis van onze landen.
De tragische historie van het stoomschip ‘Shieldrake’. Edwin Hamelink deed een zeer interessant onderzoek naar de wederwaardigheden van dit Engelse stoomschip, dat aan het einde van de 19de eeuw een lijndienst onderhield tussen Terneuzen en Liverpool. Er is een mooie historische foto van het schip gemaakt, liggend in het kanaal van Terneuzen, zeer waarschijnlijk begin januari 1891. Het was de winter die ook in de Nederlandse streekliteratuur voortleeft als ‘de barre winter van 1890’. Het kanaal lag dicht en op de Westerschelde was een zware ijsgang. Later, november 1900, is het schip vergaan in het Engelse Bristol kanaal. Er was één overlevende, die een verslag van de schipbreuk heeft nagelaten. Zo zou het ook gegaan kunnen zijn in 1922 op het s.s. Cornelis in de Botnische Golf. Het onderzoekverslag is intelligent en zeer lezenswaard.
Het geslacht Thomaes in poldernamen, gedenkstenen en grenspalen door P.W. Stuij Goed gedocumenteerd, dat zijn we van de schrijver gewend, beschrijft Stuij de wording van het bezit van grond en boerderijen van de familie Thomaes. De grondlegger van de bezittingen, Constantinus Bernardus Thomaes (1763-1842), kwam uit Sint Jan in Eremo (België) en vestigde zich op een boerderij in de zuidoost hoek van de Helenapolder. Zijn zoon, Augustinus Bernardus (1788-1855) kocht in 1846 met enkele anderen een de geschiedenis van de polders beter kan worden gereconstrueerd. Dit artikel geeft dat gedetailleerd aan.
Het smidsvak werd in Biervliet eeuwenlang uitgeoefend. Rinus Willemsen schrijft erover Reeds in 1596 was daar een smid. Die was ook nodig voor het dorp en de omstreken. De eerste in de archieven waarneembare smid maakte ‘hangen’ aan de sluis. Ook de kanonnen van het garnizoen hadden onderhoud en reparatie nodig. En zelfs werd ooit een pijnbank met martelwerktuigen vervaardigd om lieden, al of niet terecht, krachtdadig tot de orde te roepen. De laatste smederij, oorspronkelijk in handen van E.A. du Puy, en omstreeks 1925 herbouwd, stond op de hoek van de Oude Stad en de Beukelsstraat. In 1958 dreven de broers Piet en Arnold du Puy de smederij en daaruit heeft zich mettertijd op die plaats een ander bedrijf ontwikkeld, dakdekker, loodgieterswerk, aardgaskachels, centrale verwarming enz. In 1961 doofde het smidsvuur voorgoed en verdween ook de travaille. Op die plaats ontstond de winkel met o.a. sanitair en daarnaast het magazijn en kantoor. Zo gaan de dingen in de tijd!
In de geschiedenis van het Zeeuws-Vlaamse personen-en goederenvervoer geeft Ko Dieleman een overzicht van de ontwikkeling van de tram- en buslijnen in de regio. De oudste vervoersmaatschappij in Zeeuws-Vlaanderen is de Stoomtram Breskens Maldegem, opgericht 1886, met een eigen lijnen- net en emplacementen. Ook de latere Zeeuws-Vlaamse Tramweg Maatschappij had een eigen lijnennet en emplacementen. De twee systemen van netten waren in Breskens gescheiden door de openbare weg. In de naoorlogse jaren vanaf 1918 begon de bus het allengs van de tram te winnen. Ook kleine particuliere ondernemers begonnen activiteiten te ontplooien in het busvervoer. De concurrentie ging er niet altijd zachtzinnig aan toe, b.v. de z.g. ‘snorders’ ,die vlak voor de officiële vertrektijden de tramhaltes aandeden. Er werden ook afgedankte legervoertuigen (Bedfords) gebruikt die min of meer ingericht waren voor personenvervoer, de z.g. ‘bellenwagens’. Toch hielden de ‘kleine jongens’ het niet vol. Wat uiteindelijk overbleef waren toch de ZVTM en de SBM, die in 1975 fuseerden. Het is te betreuren dat de wagon, die voor het vervoer van koninklijke personen, met name koningin Wilhelmina was gebouwd in vijftiger jaren van de vorige eeuw in een weiland is verpauperd en roemloos verloren is gegaan. Er is in het artikel nog wel een mooi fotootje van opgenomen. Is er misschien een begaafd modelbouwer, die wellicht met behulp van de heer Jacky Focky nog wat in ziet?
De vesting Neuzen Een anonieme schrijver zond in 1901 een stukje in voor de Ter Neuzensche Courant (dinsdag 10 december) over de vesting Neuzen. Het stukje is vermakelijk ironisch over het gevoerde beleid om een kustbatterij te behouden, teneinde kanonvuur te kunnen uitbrengen op de Westerschelde. Daaraan gekoppeld ook de vesting, die door de schrijver in 1901 als niet meer effectief wordt ingeschat (terecht natuurlijk), maar wel nog gewoon bleef voortbestaan. We zien hier hoe de appreciatie van de dingen per tijdperk verschilt. Nu zeggen we: “Had niet iets ervan behouden kunnen worden in het geweld van de industriële vernieuwing, een stukje van het ‘wandelpark’ bijvoorbeeld?” Het berichtje met een mooi fotootje van het kruithuis in dat voormalige wandelpark of bastion IX, is aardig om even te lezen.
Tenslotte is er nog een stukje over Terneuzen uit 1824, opgetekend door een heer J. de Kanter. Het zou door een Terneuzenaar zelf geschreven kunnen zijn, of misschien toch niet. . . ? Citaat: “Eene stad van den tweeden rang. De stad is langwerpig van gedaante, doch heeft thans geen zeer bloeijend voorkomen. De kerk behoort aan de Hervormden, doch munt door niets uit”. Hmm, Zwartkijker!
Honderd jaar N.V. De Hoop Honderd jaar geleden, in 1911 werd het bedrijf N.V. ‘De Hoop’ gesticht door Govert Frederik Pieter van der Peijl. Gedurende die honderd jaar is het een bedrijf van internationaal allure geworden met veel vertakkingen. De geschiedenis van het bedrijf is nauw verweven met de geschiedenis van Terneuzen. Daarom heeft de Heemkundige Vereniging Terneuzen de laatste Nieuwsbrief van 2011 geheel gewijd aan het verhaal van honderd jaar ‘De Hoop’. Bestuurslid Ko Stoffels heeft voor een belangrijk deel geput uit het jubileumboek van 1991, toen De Hoop dus 80 jaar bestond. Een hoofdstuk over de laatste twee decennia is geschreven door Etienne Hageman, die samen met Jan Roose met recht de bedrijfshistorici van ’De Hoop’ genoemd mogen worden.
Nieuwsbrief 79, september 2011 De voormalige Citadel van Antwerpen, een grote dwangburcht zuid van Antwerpen op de rechteroever van de Schelde was in 1832 bij ´de Belgische opstand´ het laatste steunpunt in het Zuiden. Na een beleg van 3 weken en een onafgebroken artilleriebeschieting door een grote Franse overmacht moesten de Hollanders de Citadel overgeven. De soldaat des konings Adriaan Noë nam deel aan de gevechten en tekende zijn ervaringen op in een dagboek. Jan Platteeuw beschrijft het leven en wonen op een klein ‘steedje’ op einde 19de en de eerste helft van de 20ste eeuw. Het boerderijtje was gevestigd op de buurtschap Driewegen, in de volksmond bekend als ‘het Naaikussen´. Ouderen, op de ´buuten´ opgegroeid zullen dit beeld nog zeer goed herkennen. De schrijver heeft de tekst van mooie interieurfoto's voorzien. P.W. Stuij verhaalt van een geschil tussen de voormalige gemeenten Terneuzen en Hoek over de in 1816 nieuw bedijkte polder, bekend als de Nieuw Neuzen polder. Terneuzen leek van zowel de Provincie als van de Raad der Domeinen het gelijk te krijgen bij zijn aanspraken op de nieuwe polder. Het duurde toch tot 1820 eer het conflict tot een oplossing kwam. Toen volgden landmetingen en werd dus de grens geodetisch vastgelegd. Een weergave van het met veel ironie geschreven dagboek van Izaak Pieter Dierx over de laatste dagen van de Tweede Wereldoorlog in Terneuzen, de wanordelijke terugtocht van de Duitsers en de ontsnapping van NSB´ers uit gebied dat op het punt van bevrijding staat. Het artikel is van aardige foto´s van Terneuzen voorzien, o.a. de zwaar beschadigde sluis aan de Oostkolk en de verwoestingen aan de Westsluis, aangericht door terugtrekkende Duitse troepen. De geschiedenis van de Impérieuse-Medea (1793 – 1838). Het Engelse fregat ‘Impérieuse’ dat in het jaar 1809 de Westerschelde op voer onder kapitein Thomas Garth was oorspronkelijk een Spaanse zilvervaarder onder de naam Medea. Het verhaal van de aanval op de Franse kustbatterij bij De Griete werd later opgetekend door de adelborst Frederick Marryat, die toen deel uitmaakte van de bemanning. Jacq Scheele beschrijft de eerdere krijgsverrichtingen van het schip.
Nieuwsbrief 78, juni 2011 Rudy van Elslande voert ons terug naar de Middeleeuwen naar de identiteit van Jan de Visch, heer van Capelle en van Axel, die een schilderij van Hubert van Eyck vererfde aan het Benedictessenklooster in Bourgbourg, omdat zijn dochter daar ingetreden was als non. Zijn onderzoek leidt hem tot de conclusiedat de naam Capelle sloeg op de nog steeds bestaande oude polder tussen Zaamslag en Axel en dat hij niet de heer van Axel geweest kan zijn, omdat in die periode ene Jan van Massemen die titel voerde. Van Elslande tracht daarvoor verklaringen te vinden. Vervolgens beschrijft hij aan de hand van genealogische en heraldische gegevens de geschiedenis van de familie Van Massemen met tal van historische bijzonderheden. Voer voor de liefhebbers! In BN De Stem van 4 mei 2011 lezen we dat tegenover het oude raadhuis in de noordstaat in Terneuzen een winkelpand wacht op verbouwing. Er zit een oude gevelsteen in, die echt moet worden bewaard. Zowel de eigenaar van het pand als de gemeente lijken van goede wil te zijn, maar toch schiet het weer niet op. . . . Oktober 2011 is tot de maand van de geschiedenis uitgeroepen. Naar aanleiding daarvan wordt in een serie speciale tijdschriften aandacht besteed aan het bezoek dat Napoleon in 1811 aan onze streken (toen Frans grondgebied) bracht. In het nummer over Zeeland en Noord Brabant wordt o.a. informatie gegeven over toenmalige de kustbatterij in de Margarethapolder. De Koorenbeurs. Rinus Willemsen vertelt in een met sappig dialect gelardeerd verhaal over Willem Crince, die hij in zijn jeugd kende als uitbater van het Biervlietse café ‘De Koorenbeurs’. De gemeente kocht het pand in 1969 en vestigde er een bibliotheek in. Schrijver geeft de geschiedenis weer van het pand met de opeenvolgende eigenaren. In 1880 komt het in het bezit van Johannes Jacob Crince die er een café begint. Het werd de plaats voor handel van boeren en kooplieden. Als de muren konden spreken. . . . En misschien, met enige fantasie, doen ze dat ook wel een beetje. Edwin Hamelink deelt mee dat de HVT recent in het bezit is gekomen van een meetinstrument dat op nog bestaande betonnen palen kan worden geplaatst, om mijnen in de Westerschelde te localiseren. Het gaat dan om de periode van de vorige eeuw die bekend staat als de Koude oorlog. De goede schenker is Seb Blommaart, waarvoor wij hem hartelijk danken. Keuredag 2011. Op 14 augustus 2011 zal de ‘Keure’ van de Vier Ambachten worden overgedragen aan het Ambacht van Assenede. Deze grensoverschrijdende traditie is in ere hersteld en wordt dit jaar feestelijk gevierd in Wachtebeke. De ‘Keure’was een verzameling geschriften met wetgeving en gedragslijnen voor bestuurders en inwoners van de Vier Ambachten en zwierf vanouds reeds tussen de Vier Ambachten rond. Mooi, voor wie van historische scenes houdt! Edwin Hamelink vestigtook de aandacht op een artikel van 25 februari 1900 in “The New York Times”, waarin een reiziger vol bewondering gewag maakt van de klederdracht die hij hier aantrof en de netheid van de plaatsen. Toch leuk dat zo’n goede indruk op vreemdelingen werd gemaakt. (Dat overkwam ook de Engelse koningin Victoria toen ze eerder in 1852 de boerderij De Leeuwtjes bezocht, maar daaroverlater). Het Shantyfestival in Terneuzen zal dit jaar worden gehouden in de periode 1 t/m 4 september.
Nieuwsbrief nummer 77, maart 2011. De Kanaalzône van Zeeuws Vlaanderen munt niet uit in aanwezigheid en behoud van historische architectuur. Natuurlijk kan niet alles worden behouden, maar van wat we hadden is (te) veel afgebroken zonder te kijken naar mogelijkheden om karakteristieken mee te nemen naar nieuwe tijden. De laatste jaren lijkt echter het besef van architectuur als cultureel erfgoed te groeien. Daarom is het artikel van Johan de Koning belangrijk: "Een pionier onder de Zeeuwse architecten Levinus de Bruijne transformeert de Kanaalzône". Levinus de Bruijne had als boerenzoon geen bouwkundige achtergrond, maar wist zich door een natuurlijke belangstelling voor de bouw en zijn aanleg voor ontwerpen toch in die richting te ontwikkelen. Zoals het dan gaat viel hij op bij een waterbouwkundige van naam, die hem het boeiende vak van bouwkundig tekenen bijbracht. De Bruijne had de tijd mee. Door de opkomende landbouw en industrie ontstond in de Kanaalzône veel vraag naar industriele gebouwen en grotere woonhuizen. Zo kon hij zijn stempel zetten op vele gebouwen in de streek. Het artikel van Johan de Koning noemt een aantal daarvan zoals het rusthuis 'Schelde oord' aan de Emmalaan in Terneuzen (inmiddels afgebroken) en het hoofdgebouw van meelfabriek Walzenmolen in Sas van Gent (1902). De bouwtekeningen alleen al zijn een historisch waardevol bezit. ---------- Kees de Kruijter schrijft over de vriendschap die zich ontwikkelde tussen twee mensen met een totaal verschillende achtergrond. De één was Jacob Kosten (1894-1941), gedurende 36 jaren schoolmeester en hoofd van de Christelijke Lagere school van de buurtschap Reuzenhoek en daarna nog 6 jaren hoofd van de Christelijke Lagere school te Zaamslag. Kosten was ook ouderling van de Gereformeerde kerk van Zaamslag. Hij was een eenvoudig en zeer gerespecteerd man. Wissel, ook enige jaren (1911-1915) onderwijzer aan de school van Reuzenhoek schrijft in zijn boekje "Regen en zonneschijn" (1978) dat hij hem beschouwde als zijn geestelijke vader, dat hij dat een groot voorrecht vond, want "hij was in al zijn eenvoud een voortreffelijk man, zowel in opvoedkundige als onderwijskundige zin". De ander was Albert Lauwers ( 1870-1955), een tot het protestantisme bekeerde Belgische priester, die als predikant zeer veel ge daan heeft aan evangelisatiewerk in Brussel en Denderleeuw. Het leven van deze man in het katholieke zuiden is na zijn opmerkelijke stap heel moeilijk geweest. Ook kreeg hij het later aan de stok met Ds D.J. Couvée, predikant te Brussel die hem om onduidelijke reden en naar het schijnt onnodig zeer beperkte in zijn evangelisatiewerk en hem onaangenaam bejegende. (N.B. Couvée is later lange tijd nog dominé in Axel en Spui geweest). Albert Lauwers kwam als predikant in aanraking met bovengenoemde Jacob Kosten en daarbij is een wederzijds respectvolle vriendschap ontstaan. Ook uit dit artikel blijkt dat er een bepaalde binding was tussen het Vlaamse en Zeeuws Vlaamse protestantisme. Niet verwonderlijk natuurlijk, maar het had toch ook anders kunnen zijn. Belgische dominées als ook Hegger (eveneens een voormalig rooms katholiek priester) kwamen regelmatig preken in Zeeuws Vlaanderen. ---------- Rinus Willemsen verhaalt over het totstandkomen van het gebouw " 't Trefpunt" van Biervliet in 1911, dit jaar dus 100 jaar geleden. Timmerman- metselaar Louis Bertouw levert 1 januari 1911 het gebouw op en ondertekent op 5 januari een overeenkomst met Ds Val en Johannes Crince, herbergier en ouderling (een wonderlijke combinatie, uniek voor Biervliet?J.S) , waarmee het gebouw overgedragen is aan de kerkenraad van de NH-gemeente te Biervliet. Thans biedt het plaats aan de prachtige maquette van Biervliet en worden er nog tal van activiteiten gehouden. ---------- Ook in Biervliet stond de wieg van Cornelius Krom, zoon van dominée Krom, welke laatste zich direct na zijn studie als predikant in Biervliet vestigde. Cornelius Krom ontwikkelde zich tot een rechtsgeleerde van naam m.b.t. het Nederlands erfrecht, maar stierf te vroeg om zijn werk verder uit te diepen. De Maatschappij Nederelandse Letterkunde wijdde in haar ‘handelingen’ van 1886 een uitgebreid artikel aan hem. Dank aan de schrijver Macalester Loup die hiermee ook Biervliet voor het voetlicht bracht. Ko Stoffels schreef een korte samenvatting. ---------- Pieter de Decker was in zijn tijd, eerste helft van de 15de eeuw, een hoog gewaardeerd schilder in Brugge. M.M. (L.) Rudy van Elslande geeft in zijn artikel over hem aan dat het de auteur Duverger was, die aantoonde dat Pieter de Decker geboren was in Axel. ("Brugse schilders ten tijde van Jan van Eyck"). In die periode waren dus ook getalenteerde kunstenaars aanwezig in het oostelijk deel van Zeeuws Vlaanderen en vermoedelijk daar ook werkzaam. dat kon tot de ontdekking van Duverger niet eerder worden aangetoond. de vraag naar kunstenaars in Brugge was groot, waarschijnlijk reden waarom De Decker dáár is tercht gekomen en niet in het meer nabij gelegen Gent.
Nieuwsbrief nummer 76, december 2010. Rinus Willemsen geeft een kleurrijk beeld van ’t Hoog Huis in de Helenapolder bij Biervliet, van de veranderingen die in de loop der eeuwen in de omgeving plaats vonden en van de generaties van haar bewoners. Het huis staat er al zeker sinds 1692, het heeft de tand des tijds doorstaan en is er ook na forse beschadiging in WO II nog steeds. Hans Sakkers schrijft over waluitkijkposten en luchtwacht torens in de Koude oorlog. De WUP’n betreffen palen langs de kust, van waaraf kruispeilingen konden worden verricht om de plaats vast te stellen waar mijnen vanuit vliegtuigen in het water terecht kwamen, teneinde die zo snel mogelijk te kunnen ruimen. De LWT’n moesten naderende vliegtuigen aanduiden, om die te kunnen aanvallen. Beide systemen waren primitief en zijn nu nog slechts artefacten uit WO II die zeker het behouden waard zijn. Zeeuws Vlaanderen is één van de weinige streken, zo al niet de enige, waar zowel een aantal palen als een toren nog aanwezig zijn. José van Houdt rapporteert over archeologische vondsten bij grondwerken aan de Groenstraat in Zaamslag. Het gaat hier om resten van de fundamenten van de commanderij van de Tempeliers. Ook in Zaamslag wordt een oude molensteen tentoongesteld, die bij bodemsanering werd aangetroffen en van één van de molens aan de Axelse straat geweest moet zijn. De steen is helaas wel in tweeën gebroken. Een verslag van de jaarlijkse verenigingsexcursie, nu naar het watersnoodmuseum en naar Zierikzee. Ook deze reis was, zoals elk jaar uiterst genoeglijk en succesvol. P.W. Stuij wijst op onzorgvuldige info op internet (Google) m.b.t. de Oostenrijkse Nederlanden. Men moet niet alle info op Google voetstoots voor juist aannemen! J.A. Oostdijk en S.J.P. de Kraker geven een beschrijving van ‘meester’ Versloot op de christelijke school van de buurtschap Driewegen (’t Naaikussen’) omstreeks de wisseling van de 19de en 20ste eeuw. Dit stuk geeft een aardig inzicht in de perikelen van een onderwijzer van die tijd op een christelijke school. Meester Versloot had een groot gezin en werkte hard op de grond om zijn huis om met verkoop van groenten wat bij te verdienen. Dat werd hem echter door het bestuur onmogelijk gemaakt. Zijn didactische prestaties, vooral op het gebied van rekenen werden niet altijd hoog gewaardeerd. Ook was het niet altijd even ordelijk in zijn klas, maar bij de bevolking van Driewegen was meester Versloot geliefd. Met veel affectie voor het Land van Axel geeft de heer Inniger een interessant overzicht van de namen van dat land en de herkomst ervan. Edwin Hamelink besluit de Nieuwsbrief met de vondst van een oude haardsteen in Terneuzen in 1878. De steen werd geschonken aan het Zeeuwsche genootshap der wetenschappen maar is blijkbaar toch verloren gegaan. Informatie over de verplaatsing van de stoomgedreven generator van de voormalige cokesfabriek naar het Industrieel Museum Zeeland in de voormalige suikerloods te Sas van Gent en over het recent verschenen boek ‘Biervliet tussen eb en over- vloed’.
Nieuwsbrief nummer 75, september 2010. Adrie G. Eggebeen (1931-2008) schreef een stukje Terneuzense historie over de ontwikkeling van de telefoon. Hij verhaalt dat op 22 december 1877 in Terneuzen een proef werd genomen met de ‘verrespreker’. Deze proef viel goed uit maar pas in 1905 werd hier een Rijkstelefoonkantoor in het bestaande postkantoor gevestigd. Daarvandaan werd een onderaardse kabel aangelegd door de Nieuwstraat en de Noordstraat tot door het kanaal aan de Axelse brug. Het aantal aansluitingen groeide snel en in 1939 werd dan ook een ‘eigen’ telefoongebouw aan de Van Steenbergenlaan betrokken. De oorlog bracht een grote terugslag, maar in 1955 was weer een uitbreiding noodzakelijk. Nadat de automatisering van de telefoon ook hier zijn intrede had gedaan, vertrokken in 1960 de laatste (dames) telefonisten. In 1974 werd de nieuwe Philips UV-centrale te Terneuzen geopend. Voor degeen die het nog niet wist: ‘UV’betekent ‘Unk Verkeerscentrale’. Unk was een professor die voor Philips werkte en daar een snellopende kiezer ontwikkeld heeft. E.e.a. is verlucht met foto’s van het personeel van het telefoonkantoor door de decennia heen. Edwin Hamelink geeft een interessante historische beschouwing van de aanlegplaatsen van de veerboten over de Westerschelde in Terneuzen. Daarbij zien we ook een schets van de ontwikkeling van de veerdiensten vanaf 1781 tot op de dag va de laatste afvaart in 1972. De zeldzame Callender Hamiltonbug kan met een nieuw ponton uitstekend nieuwe eigentijdse functies vervullen en zo ingepast worden in een eventuele reconstructie van de Veerhaven. Ook schrijft Edwin Hamelink over de aanleg van de nieuwe zeesluis in 1910, waardoor schepen tot 10.000 ton konden worden opgeschut. Dit was een krachtige impuls voor de groei van de industrie in de Kanaalzone en de groei van de havenactviteiten in de omgeving Terneuzen. In 1911 werd de handel-, industrie-, en scheepvaart maatschappij “De Hoop” opgericht, alsook de Cokes-fabriek en in 1912 de stijfsel- en glucosefabriek, later Cargill. Met de havenwerken van de jaren 1960-1970 verloor de voor wat ouderen nog goed bekende “Nieuwe Sluis” na een halve eeuw haar betekenis. Nu dient de volgende fase in de uitbreiding van de haven zich reeds aan. Carlo Buysrogge roept het beeld op van een 19de eeuwse uitzonderlijk dikke Zeeuws Vlaamse die in die dagen als attractie op kermissen werd getoond. Nieuwsbrief nummer 74, juni 2010.
De tweede editie van de Nieuwsbrief dit jaar is geheel gewijd aan een stukje geschiedenis van het stadje Biervliet, misschien wel de mooiste dorpskern binnen onze gemeentegrens. Met artikelen over belangrijke gebeurtenissen en authentieke verhalen over bekende en markante figuren uit de rijke historie van Biervliet is deze nieuwsbrief opnieuw een bijzonder geslaagde uitgave. De artikelen zijn geschreven door inmiddels voor ons bekende namen. Dr. Albert Kort onthult de geheimen van de omstreden predikant Van Basselaar en vertelt over enkele bekende lokale veldwachters. Rinus Willemsen schrijft over de unieke ramen van de N.H. Kerk, mensenredder Jacob Geensen en over het bijzondere schilderij van Karel de Vijfde. Frits Thomaes heeft een artikel geschreven over de oprichting en de bouw van de Rooms Katholieke Kerk. De evolutie van Biervliets grenzen, door de jaren heen, wordt helder beschreven door Piet Stuij. Kees Kostense sluit af met een artikel over het project van de maquette van Biervliet. Nieuwsbrief nummer 73, maart 2010. Deze Nieuwsbrief staat geheel in het teken van Overslag, de kleinste kern van de gemeente Terneuzen. In het kader van het project “thematisering” zal Overslag meer aandacht gaan besteden aan de Rijksgrens die door de kern loopt. Daarvoor is een stichting opgericht. De grens zal voor een deel duidelijker worden gemarkeerd, er komt een kunstwerk en diverse informatiepanelen. In deze Nieuwsbrief schrijft de heer P.W. Stuij in een uitgebreide verhandeling over de lotgevallen van de grenzen van Overslag. De gemeentegrenzen, rijksgrens en oostenrijke grens en de afscheiding van België worden behandeld. Tijdens de Eerste Wereldoorlog lag de dodendraad door het dorp. Dankzij intensief onderzoek kon worden gereconstrueerd waar deze heeft gelegen. Middels een afbeelding wordt dit aan de lezers duidelijk gemaakt. Eduard van Bambost, een jongeman uit Overslag, stierf op 3 november 1867 bij de slag om Mentana. Hij was Zouaaf in het leger van Paus Pius IX. John van Eck schrijft over Van Bambost. Bij de basiliek in Oudenbosch staat een monument voor de Nederlandse Zouaven. De naam van Van Bambost staat op het monument vermeld. Tenslotte schrijft Van Eck over de bevrijding van Overslag door de 1e Poolse Pantserdivisie. Nieuwsbrief nummer 72, december 2009. De laatste Nieuwsbrief van dit jaar is rijkelijk gevuld met diverse interessante onderwerpen. De heer J. Oostdijk schrijft over de geschiedenis van het Zeeuwsch-Vlaamsche rolluik- en timmerbedrijf. Dit bedrijf werd in 1911 opgericht en was gevestigd aan de Terneuzense Westkolkstraat. Het bedrijf bestond tot 1962. Jan Platteeuw schrijft over de Zeeuwse kentekenbewijzen van het begin tot 1956 en over de ziekenhuizen van Terneuzen en Sluiskil. Op 23 oktober 2009 werd de gerestaureerde Zwartenhoekse Zeesluis onthuld. De heer P.W. Stuij schrijft over de geschiedenis en de functie van deze zeesluis. Herman de Jonge maakte een aanvulling op een eerder verschenen artikel over het proces tussen Pieter Alvarez en zijn dochter Catharina Cornelia. Daarnaast is er aandacht voor een aantal actuele onderwerpen zoals een archeologische opgraving bij het kasteel van de Tempeliers in Zaamslag, de onthulling van het gedenkteken voor de ramp met de s.s. Cornelis, de herplaatsing van het tegeltableau van de St. Willibrord school en de plaquette voor de Zuidbeer bij het nieuwe woon- en winkelcentrum Schuttershof. Tot slot hebben we integraal de recensie opgenomen die over het boek “Jan Geensen, een jongen van de westkant” werd gepubliceerd in het Tijdschrift voor Zeegeschiedenis. Nieuwsbrief nummer 71, september 2009. September 2009 is een gedenkwaardige maand. Het is immers 65 jaar geleden dat op Over de periode van begin september tot enkele maanden na de bevrijding hebben verschillende bewoners dagboeken bijgehouden. In deze Nieuwsbrief publiceren we het nog nooit eerder gepubliceerde dagboek van Jan Hendrik Bannier. Hij woonde tijdens de oorlog en bevrijding met zijn gezin aan de Axelsestraat in Terneuzen. Bannier beschrijft de gebeurtenissen over de periode vanaf ‘Dolle Dinsdag’ tot eind november 1933. Over het leven van alle dag in Terneuzen en omgeving, tijdens de voor de bevolking moeilijke laatste dagen van de Duitse bezetting, de bevrijding en de maanden daarna. Het dagboek is aangevuld met foto’s. Nieuwsbrief nummer 70 van juni 2009 staat geheel in het teken van de geschiedenis van Hoek. Albert Kort schreef over de veldwachters van Hoek. Enige bouwhistorische zaken betreffende molen “Windlust” worden beschreven door F. Weemaes. De heer Stuy schreef over Hoek als zelfstandige gemeente. Over hoe Hoek ijs en friet leerde waarderen schreef de heer J.L. Platteeuw. Voor deze Nieuwsbrief hebben we dankbaar gebruik gemaakt van het boekje “Hoek en omgeving van vroeger tot nu”, door de heer Platteeuw. Enkele artikelen uit dit boekje, waaronder de geschiedenis tot 1970, de Tweede Wereldoorlog, de Watersnood van 1953 en de medicijnmeesters zijn in onze Nieuwsbrief opnieuw gepubliceerd. Herman de Jonge deed in de notariële archieven van Axel een interessante ontdekking. Hij vond getuigenverklaringen in het proces tussen Pieter Alvarez en zijn dochter Catharina Alvarez. Pieter, die burgemeester van Terneuzen was en heer van Westdorpe, woonde op een hofstede in de Altenastraat bij Hoek. Hij kon zich niet goed vinden in de huwelijkskeuze van zijn dochters Pieternella en Catharina. Van het proces dat ontstond tussen Pieter en zijn dochter Catharina publiceren we een aantal van de getuigenverklaringen. De special over Hoek is te koop voor Eur. 5,-- per exemplaar, inclusief verzendkosten. In Nieuwsbrief nummer 69 van maart 2009 komen verschillende onderwerpen aan bod. In het verleden is er in het Zeeuws-Vlaamse grensgebied veel gesmokkeld. Bart Begijn schreef er voor zijn studie geschiedenis een scriptie over. Voor onze vereniging schreef hij over de smokkel in de periode van 1914-1945. Kapitein Frederick Marryat en zijn band met Terneuzen komt aan de orde in een artikel door Edwin Hamelink. Deze legendarische zeekapitein schreef in 1839 The Phantom Ship, het verhaal over de Vliegende Hollander. Het eerste boek waarin Terneuzen als thuishaven van deze kapitein wordt genoemd. Edwin vond dat Marryat nog een andere band met Terneuzen had....... In de Terneuzense binnenstad zijn nog veel restanten te vinden van de 17e eeuwse vestingwerken. De heer P.W. Stuij neemt ons mee met een wandeling langs de oude vesting van 1583. Het voormalige klooster van de zusters Franciscanessen aan de Korte Kerkstraat wordt momenteel verbouwd tot appartementen. Marion Lippens-van Damme schrijft over de historie van dit klooster. Tenslotte is er aandacht voor de mogelijkeverbouwing van het voormalige stadhuisje van Terneuzen aan de Noordstraat.
De Nieuwsbrief van oktober 2008 staat geheel in het teken van 150 jaar Protestants Christelijk Onderwijs in de gemeente Terneuzen. Zie ook het Nieuwsitem hierover. In de Nieuwsbrief van maart 2008 komen diverse onderwerpen aan de orde. De heer P.W. Stuij schrijft opmerkingen over de grens en aanmerkingen over de grensbeschrijving van de provincie Zeeland en de rijksgrens met België. Over de maatschappij van weldadigheid wordt geschreven door Marion Lippens. Amateur archeoloog José van Houdt vond bij de Steenovens, nabij Zaamslag, een 15e eeuws lakstempel, dat hij in een artikel beschrijft. In verband met de sloop van de voormalige Ichtuskerk te Axel zal de 16e eeuwse luidklok, die oorspronkelijk in de kerk van Vremdijcke heeft gehangen, wederom verhuizen. Tonny Kruisifikx schrijft over deze bijzondere luidklok. Als voorschotje op de presentatie van een nieuwe uitgave van de vereniging, die in september staat gepland, is een artikel opgenomen over dit bijzondere boek.
In januari werd op het project Schuttershof de voormalige zuidbeer van de vesting Terneuzen opgegraven. In de Nieuwsbrief een beknopt artikel hierover door Edwin Hamelink. Tenslotte is er aandacht voor de reacties die binnenkwamen naar aanleiding van de gevonden antieke fietsbel in Zaamslag.
In januari werd op het project Schuttershof de voormalige zuidbeer van de vesting Terneuzen opgegraven. In de Nieuwsbrief een beknopt artikel hierover door Edwin Hamelink. Tenslotte is er aandacht voor de reacties die binnenkwamen naar aanleiding van de gevonden antieke fietsbel in Zaamslag. |
|

