Recensie

Recensie van het boek Jan Geensen, een jongen van de ‘Westkant’: jeugdjaren in Terneuzen, omzwervingen op de kust- en diepwaterzeilvaart, periode 1895-1910.

Deze recensie is geschreven door Johan Francke en gepubliceerd in het Tijdschrift voor Zeegeschiedenis, jaargang 28, 2009 nummer 1 (pagina 91 en 92).

Jan Geensen werd op 8 juni 1887 geboren in Terneuzen. Na een avontuurlijk leven als matroos en later als voorman van de bootlieden in zijn geboortestad stierf Geensen in 1967 op 80-jarige leeftijd in een bejaardentehuis. De diepwatermatroos Geensen maakte van al zijn reizen dagboekaantekeningen die hij in zijn laatste levensjaren uitwerkte. Deze aantekeningen werden door zijn kleinzoon gevonden en samen met monsterboekjes en foto’s uit alle familiehoeken en –gaten bijeengebracht. De zeemansloopbaan van Geensen is niet geheel opgetekend. Het laatste jaar dat hij op de oceaan en windjammers werkte (de tijd in Australië in 1908 en later op stoomschepen) ontbreekt doordat zijn gezondheid tijdens het schrijven verslechterde. Het zeemansleven van Geensen begint op de kustvaart aan boord van de
Dairy Maid naar Belfast. Hij vaart eerst enige tijd op dit soort kleine schepen die een geregelde dienst tussen Groot-Brittanië en Terneuzen onderhouden. Daarna gaat hij als diepwatermatroos aan de slag. Hij rond Kaap Hoorn en vaart onder meer op Chili (salpeter), de Verenigde Staten (hout), Australië (graan) en de eilanden in de Grote Oceaan. Na vijf jaar op de grote zeilvaart te hebben gediend en in de Verenigde Staten en Australië op zaagmolens te hebben gewerkt keert Geensen terug naar huis. Daar neemt het aloude verhaal een klassieke wending. Hij ontmoet er een meisje uit de omgeving, trouwt, en vestigt zich als bootman aan wal. Tijdens de oorlogsjaren 1914-18 zal hij noodgedwongen nog enkele malen op de grote vaart dienen. Het kanaal Gent-Terneuzen is door de oorlog gesloten en de bootlieden zijn dan werkloos. Geensen heeft over die tijd echter nagenoeg geen aantekeningen nagelaten en merkt zelf op dat hij na 1910 nog gediend heeft op tal van stoomschepen, maar dat dit hem niet de bekoring en voldoening bracht van het varen op zeilschepen ondanks het hardere leven en meer ontberingen.

Geensen is geen nieuwe Eric Newby of Richard Henry Dana (Eric Newby,
The last Grain Race (1956) en Richard Henry Dana (Jr.), Two years before the mast (1840)). Daarvoor zit het geheel stilistisch te zwak in elkaar, maar de bewerking heeft de manuscripten zeker goed gedaan, en vertelt een uniek verhaal van een Nederlandse matroos in de tijd van de overgang van de windjammers naar de stoomvaart. De vergelijking met Dana is er desondanks, omdat ook Geensen enige tijd werkzaam is tussen de gelukzoekers in de pas in wording zijnde steden aan de westkust van de VS aan het begin van de twintigste eeuw. Ook verhaalt Geensen van de roekeloze manier waarop schippers en stuurlieden met de gezondheid van hun bemanning omgingen, over het harde leven aan boord, het drossen van bemanningen zodra een haven met andere schepen en nieuwe mogelijkheden zich aandeed, hoe zeelieden in zeemanstehuizen door schulden werden gedwongen aan te monsteren en maandenlang voor niets moesten werken. Over schippers die tegen woekerprijzen kleding verkochten en korten op goed voedsel.

Bij mijn weten zijn er weinig van dit soort Nederlandstalige biografische zeemansverhalen bekend. Een voorbeeld uit de jaren dertig is: W.L. Leclercq,
Wind in de zeilen. Het verhaal van een reis per zeilschip van Australië om Kaap Hoorn naar Engeland in het jaar 1932 (Amsterdam 1933). Wel moet gezegd worden dat Geensen wellicht uit ons zicht is gebleven omdat hij niet op Nederlandse schepen heeft gediend. Hij heeft alleen voor buitenlandse rederijen gewerkt en vrijwel uitsluitend Scandinavische, Amerikaanse en Engelse collega’s gehad. Dit boek verdient echter meer aandacht van maritieme historici dan de vrijwel anonieme wijze waarop het op de markt is verschenen.

Enige voorkennis over de negentiende-eeuwse zeilvaart is vereist, want Geensen gaat nogal eens diep in op technische details van het staande en lopend want aan boord van de schepen en het werk dat daaraan gebeuren moest. De leuke extra’s aan dit boek zijn een lijst van schepen waarop Geensen heeft gevaren met daarbij de technische kwalificaties en afbeeldingen. Een kleine honderdtal particulieren en instellingen droegen fotomateriaal aan voor dit boek, waardoor bij vrijwel elke pagina over Geensens wereldreis passende foto’s zijn ingepast. Verder is er een glossarium met de aanduiding van alle windjammertypen en een lijst met shanties. Het boek heeft niet de literaire kwaliteit om het levensverhaal van Geensen tot een klassieker te maken, maar is wel een uniek verhaal over een Nederlandse matroos in de laatste dagen van de zeilvaart en daarom toch een echte aanrader voor hen die daarin zijn geïnteresseerd.

Johan Francke.